In de Gouden Eeuw zette de VOC Groningse Blaarkopkoeien rondom Leiden voor de proviandering van de grote schepen. De negentiende eeuw was de gouden eeuw van de Blaarkop. De industriële revolutie in Engeland liet de vraag naar vlees en zuivel explosief stijgen. En de mest van de koe liet de Bollenstreek ontstaan.

Tot de zestiger jaren was de Blaarkop de koe van de Bollenstreek en Leiden. Ze stond massaal langs de Oude Rijn tot aan Utrecht. De Blaarkop is een makkelijke sobere koe die niet veel eisen stelt aan zijn omgeving. Een echte alleskunner: de juiste melk om zowel de beste boter ter wereld (!) als magere kaas te maken, uitstekende mest om de geestgronden vruchtbaar te krijgen en vanwege het fijne vlees zeer geschikt voor de vetweiderij bij Amsterdam, Haarlem en Schiedam. De slagers vochten figuurlijk voor het superieure Blaarkopvlees.

Melk, boter, kaas en vlees voor de steden

De Blaarkop was in de Gouden Eeuw de beste koe voor de groeiende Hollandse steden. Rondom de steden zorgden consumptiemelkers voor bevoorrading van de stad. Op iets grotere afstand van de stad werd boter en kaas gemaakt en werd het vee vetgemest. De koeien werden elders gefokt. Over het water zullen de eerste blaarkoppen uit Groningen naar de Rijnstreek zijn gebracht om aan de vraag naar melk, kaas en vlees door de grote steden en de Verenigde Oost-Indië Compagnie (VOC) te kunnen voldoen.

Magere Leidse kaas mee met de VOC

Tussen Den Haag en Haarlem werd door honderden kaasboeren magere Leidse Kaas gemaakt die in de achttiende eeuw diende als bevoorrading van de schepen van de VOC en de walvisvaart. De kaas zweet en bederft minder snel in de tropen en werd op smaak gebracht met komijn, ontdekt in Marokko en Malta. Annatto-zaad uit Peru kleurde de korst rood en zorgde voor een betere houdbaarheid.

Eerste gespecialiseerde veeteelt ter wereld

De Leidse Rauwmelkse boter komt van oudsher van de bereiders van Leidse kaas. De Leidse en Delftse boter is superieur van smaak. Al vanaf de Gouden Eeuw was het een belangrijk exportartikel dat werd gekocht door de Franse en Engelse adel. De afgeroomde melk is van voldoende kwaliteit om nog goede magere kaas van te maken.  Al deze voordelen zorgden er voor dat rond Leiden als eerste in de wereld gespecialiseerde veeteelt op gang kwam en een landschap ontstond geheel door melkveehouderij gedomineerd!

Per boot vanuit Groningen

De Blaarkop werd gefokt en afgekalfd in Noord-Groningen en per schip (waar 40 koeien op pasten) in het voorjaar naar Zuid-Holland gebracht. Zo’n boottocht duurde ongeveer twee dagen. Met platboomvaartuigen werden de koeien verder door de streek verspreid. De oude herberg “De Kwaak” tegenover Oud-Poelgeest te Oegstgeest was zo’n verzamelpunt. Later gebeurde dit per trein en werd de Leidse Veemarkt het verzamelpunt.

Vetgemest voor de slacht

Veel Blaarkoppen gingen in hun nadagen naar het zogeheten Spoelingdistrict bij Schiedam. Daar werden ze met spoeling, een afvalproduct van de jeneverstokerijen, vetgemest voor de slacht. De industriële revolutie rond 1820 in Engeland zorgde er voor dat de Engelsen in plaats van één keer vlees per twee weken meerdere keren vlees per week gingen eten. De vraag naar vlees was enorm. Er werd begerig naar Holland gekeken voor de aanvoer van vers vlees. De spoorlijn Londen – Harwich werd aangelegd en in Rotterdam werd levend vee gehaald. Blaarkoppen, gefokt in Groningen, na een melkzaam leven rond Leiden rond Schiedam vetgemest, om uiteindelijk op de Londense markten te worden verkocht voor de slacht!

Bollenstreek ontstond door mestoverschot

Rond 1850 bereikte de vetweiderij bij Schiedam haar hoogtepunt. De eerste bio-industrie ter wereld kende ook een “mestprobleem”. Daar wist men echter wel raad mee. De vele mest uit het Spoelingdistrict werd gebruikt om de geestgronden in het Westland en de Bollenstreek leven in te blazen. Het was krachtige mest die met duizenden schepen naar de Geestgronden en het Westland werd vervoerd. Deze zogenaamde Schiedammer mest was vloeibaar, goed voor de hyacint en de plakkerige mest zorgde ervoor dat de geestgronden niet verstoven. In rap tempo veranderde de Weidestreek in een Bollenstreek. Dat verdreef Blaarkop, die met haar mest de bollenvelden had laten ontstaan, van de weilanden.

Weggeconcurreerd door Holsteiner

Concurrentie uit Argentinië en de Verenigde Staten, de koelcel en het gebruik van kunstmest zorgden voor een lagere vraag naar vlees en mest. De Blaarkop als zogeheten dubbeldoelkoe kreeg het moeilijk. Als antwoord hierop werd de Blaarkop werd meer in de melkrichting gefokt. De koe hield zich rond Leiden staande totdat in 1975 de Amerikaanse Frisian Holsteinkoe alle Nederlandse koeienrassen overklaste met een enorme melkproductie.

Op een paar boerderijen bleef de Blaarkop echter bestaan. De Sophiahoeve is zo’n voorbeeld. Hier werd niet alleen de melk belangrijk gevonden maar ook de topproducten als Leidse boter en kaas en Blaarkopvlees.

 

Hebt u de petitie al getekend? reddeblaarkop.petities.nl

 

Advertenties